IJsland 2002

Dit was nu al de derde keer. In 1999 en 2001 hadden we al grote delen van het land bezocht. En toch had ik het idee dat het allemaal nieuw voor me was. Als ik er aan dacht kriebelde het in mijn maag. Miste ik nog iets, had ik niets over het hoofd gezien. Op internet had ik al veel informatie gevonden. Ook had ik in enkele internet forums gevraagd om informatie. Toch wist ik ook wel, dat ondanks een goede voorbereiding je toch altijd voor verassingen kunt komen staan. Ter plekke is alles anders dan hoe je het jezelf in eerste instantie voorgesteld hebt. Het doel van de reis was dit maal de Westfjorden in IJsland. Volgens velen het mooiste deel van IJsland. Nog meer dan in het zuiden zou hier het weer een grote onzekere factor kunnen worden.
Onze Mitsubishi L200 met Camper opzetunit gaat via de IJslandse rederij Eimskip vanuit de Rotterdamse haven naar de haven van Reykjavik. Proviand wordt een paar dagen van tevoren ingeslagen, zodat dit met hetzelfde transport mee kan. Ook de vlucht is al geregeld. Op 29 Juli, maandagavond om 22:40 uur vertrekt het vliegtuig vanaf de luchthaven Schiphol bij Amsterdam waarna het 3 uur later zal landen op het vliegveld van Kevlavik.
De camera, een van de belangrijkste instrumenten van deze reis is grondig nagekeken. Fotorolletjes zijn voldoende ingeslagen en reserve batterijen liggen voor het grijpen. Maandag 22 Juli
Klokslag 9:00 uur draait de groene rover van JJ het tuinpad op. Gisteren hebben Ans en ik de camperunit op de auto geplaatst, het water bijgevuld en de meeste bagage ingeladen. De rest gaat volgende week met het vliegtuig mee. Vandaag moet de auto naar de haven van Rotterdam worden gebracht. Hier gaat de auto in een container, welke met de Bruafoss van de IJslandse rederij Eimskip naar Reykjavik wordt vervoerd. Na een paar kilometer te hebben gereden krijgen we een kleine tegenslag. Een gekantelde vrachtwagen verspert de op- en afrit van de A2. Hierdoor moeten we enkele kilometers omrijden. Omdat de vakantie in het grootste deel van Nederland al van start gegaan is, is het erg rustig op de weg. Ongeveer 1,5 uur na vertrek arriveren we dan ook bij Haven nummer 2530.
In het kantoor van Eimskip is het rustig. Twee dames bezetten de balies, en de twee chauffeurs die voor ons zijn worden al geholpen. Binnen een paar minuten is het mijn beurt. Het invullen van de formulieren gaat een stuk gestroomlijnder dan de vorige keer. Na het bemachtigen van een stempel bij het douane kantoor kan de auto verder worden gereden naar de Uniport terminal. Hier volgt een korte inspectie van de wagen. De 14 jaar oude camper heeft enkele kleine deukjes, welke dan ook prompt op het formulier vermeld worden. In het kleine kantoortje van Uniport, eigenlijk meer een bouwkeet zitten enkele medewerkers verveeld te kijken. De klok aan de muur geeft aan dat het inmiddels 11:35 is. Op de lunchtafel liggen wat speelkaarten, en ik hoor een van de medewerkers zeggen “die klanten komen je ook altijd lastig vallen als je pauze hebt” Hij is natuurlijk een beetje pissed omdat we blijkbaar zijn kaartspelletje onderbroken hebben. Even denk ik er aan een opmerking te maken, maar het feit dat de verantwoordelijkheid van de auto met camper bij hen komt te liggen weerhoud mij hiervan. Je weet maar nooit. Ik laat de boel de boel, en loop een klein stukje rond in de haven. Een stukje verderop ligt de Godafoss, eveneens van de rederij Eimskip. Voor deze boot ligt nog een andere boot, maar we zijn te ver weg om de naam te kunnen lezen. Waarschijnlijk is dit toch te Bruafoss, de boot die onze auto naar Reykjavik zal varen.
Via een toeristische route rijden we weer terug naar huis. Natuurlijk met het onbestemde gevoel of ik niet toch nog iets belangrijks vergeten heb. Maar wat dat dan ook zal zijn, dat zal ik op zijn vroegst volgende week dinsdag merken als we de auto op gaan halen in Reykjavik. Maandag 29 juli, Vanavond vertrekken we naar IJsland. Het kwik in Nederland bereikte de 30 graden. Het weer in IJsland is totaal anders, 12 graden en in het westen compleet bewolkt en van tijd tot tijd regen. Beide klimaten liggen mij niet, maar als ik moet kiezen, geef mij dan maar de 12 graden in IJsland. Dan om 18:00 uur draait de Rover van JJ de oprit weer op. Nog even een laatste sanitaire stop en na het inladen van de bagage zetten we koers naar Schiphol. Ruim op tijd lopen we de vertrekhal binnen om nog even te genieten van een kop koffie met gebak. “Tot over 4 weken JJ” zeg ik. Ans en ik nemen afscheid, en terwijl JJ naar de parkeerplaats loopt, lopen wij richting Douane.
Tax free shopping is niet aan ons besteed, en wij lopen door naar Gate B18 en nemen plaats op de stoelen van de wachtruime.
Dan taxiet het vliegtuig Brýndís van Iceland Air naar de gate. De passagiers verlaten het vliegtuig waarna wij aan boord mogen. Een 20 minuten later dan gepland gaat het vliegtuig van start. Als ik door het raampje naar buiten kijk schuiven dorpen en steden met elkaar verbonden door een verlicht lint onder ons door. Nog even zien we de kust, enkele schepen en boorplatformen, en dan is het buiten donker.
Door het tijdsverschil van twee uur, en de noordelijke ligging van IJsland wint het vliegtuig het lanzaam van de duisternis. Ondanks dat het later wordt blijven we bijna de hele reis genieten van de door de ondergaande zon roodgekleurde wolken. Tegen de tijd dat we landen op Kevlavik moeten we de strijd opgeven, en overwint de duisternis.
Langzaam taxiet het vliegtuig naar de gate. Toepasselijk schalt “I believe I can fly” uit de luidsprekers. Met de Fly bus gaan we verder naar Reykjavik, en na wat omzwervingen in Reykjavik omdat de chauffeur niet weet dat er naast “Hotel GRAND Reykjavik” ook nog een “Hotel Reykjavik” bestaat belanden we om 04:00 uur in bed. Dinsdag 30 juli, 09:00 uur even douchen en dan ontbijten. Als we net zitten komt ook een ander Nederlands stel de eetzaal binnen. Beide praten een aardig woordje IJslands. Ze hebben dan ook 3 jaar in IJsland gewoond, en komen nu oude vrienden en bekenden opzoeken en tevens vakantie houden in IJsland. Na het ontbijt is het tijd om koers te zetten naar de haven waar we onze auto op kunnen gaan halen. Na ook nog de douane te hebben bezocht kan de reis beginnen. Het is een regenachtige dag, en we rijden richting Borgarnes. Bij de Glymur waterval heb ik geen zin meer. Ik ben te moe van de korte nacht, en het rijden in de regen is erg vermoeiend. Op het eind van de weg zetten we de auto neer. Voor de wandeling is het toch al te laat. Morgen komt weer een dag, en om 21:00 uur kruip ik in bed. Woensdag 31 juli,
Na een ontbijtje aanvaarden we de tocht naar de Glymur waterval. Met zijn 200 meter, de hoogste waterval van IJsland. Deze ligt in de 2000 hectare grote natuurgebied Stóribotn. Dit maal beklimmen we het pad aan de linkerzijde. Een onduidelijk pad brengt ons langzaam omhoog. Veel schillende ah’s en oh’s komen uit mijn mond tijdens de beklimming. Boven aangekomen genieten we van het uitzicht. We volgen de Botnsa nog een stukje verder om een doorwaadbare plaats te vinden, want we willen het pad aan de andere kant weer naar beneden lopen. Het is echter overal te diep dus gaan schoenen sokken en broek uit. Na de eerste stap heb ik al spijt. Alsof duizenden naaldjes in mijn voeten steken. Het water is ijs en ijskoud. Hoe verder ik het water in loop hoe erger het word. Omdraaien is geen optie. Ik ben dan ook erg blij als ik aan de overkant ben. Nu Ans nog. Langzaam komt ook zij aan de overkant. Na het aankleden krijgen we het gelukkig al weer snel warm. En dan, de afdaling. Het uitzicht op de waterval is vele malen mooier vanaf deze zijde. Regelmatig lig ik op mijn buik om over de rand een foto te maken van de 200 meter lager gelegen valei. Beneden aangekomen steken we via een balk de Botnsá weer over. Aan deze kant van de Botnsá liggen enkele kleine ondiepe grotten. Via de grotten lopen we weer terug naar het pad en naar de auto. Via E-mail heb ik al enige tijd contact met iemand uit Borgarnes. Omdat we toch door Borgarnes rijden wil ik even kijken of hij misschien ook thuis is. Helaas, zijn auto is er maar van Þorleifur geen spoor. We vervolgen de weg richting de Westfjorden. Bij Grábrók verlaten we de weg om op zoek te gaan naar de Glanni waterval. Deze ligt bijna tegen een parkeerplaats aan, en is dus snel gevonden. We lopen nog een stuk verder naar Paradisarlaut. En piepklein kraakhelder meertje. We willen ook nog de Grábrók krater beklimmen, het is alleen een beetje te donker voor het maken van foto’s, dus zoeken we in de buurt een plaats om te overnachten. Hiervoor rijden we een stukje de 528 in. Donderdag 1 augustus
Na een goede nachtrust, mede door de enorme stilte, staan we op. De zon laat zich door een dun wolkentapijt van zijn beste kant zien. Na het ontbijt rijden we naar de krater Grábrók, om deze te beklimmen. Al is beklimmen natuurlijk een groot woord, als je via kunstmatig aangelegde trapjes al tot halfweg de top kunt komen. De rest is met linten afgezet, zodat je zeker niet buiten de gebaande paden kunt lopen. Niet vreemd natuurlijk, de krater ligt hier al 3000 jaar, en in de laatste 10 jaar is door het toerisme meer schade aangericht dan in de voorbije 2990 jaar. Het maakt de klim wel wat minder avontuurlijk, maar goed, eenmaal op de top genieten we toch van het mooie uitzicht. De weg wordt weer vervolgd. We rijden verder over wegnummer 60 richting de Westfjorden. Al snel bestaat de weg enkel nog uit gravel. Hierdoor zijn we op veel plaatsen wel genoodzaakt de snelheid enigszins naar beneden aan te passen.
Even verlaten we wegnummer 60 om te gaan kijken bij het gedenkkruis welk opgericht is ter nagedachtenis aan de diepzinnige denkster Audur Djúpúdga. Volgens het Landnámabok ging zij hierheen om te bidden. Zij was een van de eerste vrouwen die in het district Dalasýla woonden en ook een van de eerste christenvrouwen. Enkele tientallen kilometers verder langs weg nummer 60 slaan we af naar de 607. De weg voert naar Reykhólar. We besluiten een kijkje te gaan nemen bij de plaatselijke fabriek, waar geothermische energie wordt gebruikt voor het maken van algenrijk voedsel uit zeewier. In het kleine haventje liggen een paar boten waarschijnlijk te wachten tot ze naar de sloop mogen. Aan het eind van de pier zijn een drietal kinderen aan het vissen. Maar hoe ze ook hun best doen, meer dan zeewier slaan ze niet aan de haak. Schijnbaar is het vissen vangen ook niet het belangrijkste. Ze hebben het zo te zien toch goed naar hun zin. Als we het een beetje gezien hebben rijden we terug naar de 60. In het begin voert de weg langs de kust, maar al snel draait de weg de bergen in. De weg gaat vaak erg steil omhoog, en natuurlijk bij de afdaling weer erg steil naar beneden. De auto staat dan ook vaak in “Low Gear” zodat we meer power hebben. Bij Galtará zetten we de auto aan de kant. Ans neemt de loopschoenen en gaat een stuk hardlopen, ik trek mijn wandelschoenen aan en loop langs een stroompje naar een kleine maar mooie waterval. Een rots links van de waterval is een stuk uitgekapt, en ligt bezaait met kristallen. Ik loop nog een stukje omhoog om te genieten van het uitzicht. Daarna nog even beneden een stukje langs het Kollafjord. Als Ans terugkomt van het hardlopen is het een mooie tijd om te gaan eten. Vannacht blijven we hier.

Pages: 1 2 3 4 5 6 7 8 9