Menu Close

IJsland 2005

22 februari

Als we wakker worden is het buiten nog redelijk donker. De maan verdwijnt net achter de berg waar onder onze bungalow staat. Een ruime witte kring omlijst de maan. Buiten kijken de schapen me een beetje warrig aan. Enkele staan zelfs op het dak van een van de bijgebouwtjes van de boerderij. Tijdens het inpakken van de auto ga ik nog een keer flink onderuit op het gladde ijs waarop onze auto geparkeerd staat. De schade blijft beperkt tot een gekneusd ego. We rijden verder over weg 35, totdat deze uiteindelijk kruist met weg nummer 1, die we vanaf hier verder rijden tot aan de afslag StóraMörk.
Een klein stukje vanaf deze afslag ligt de Seljalandsfoss. De groene heuvels die normaal gesproken de Seljalandsfoss omlijsten zijn nu dor en bruin, maar daarom zeker niet lelijker. Ik heb wel eens beelden gezien van een bevroren Seljalandsfoss, die helemaal ingepakt lag door sneeuw. Vandaag niet dus. Het normaal gesproken groene gras is dor, en links van de waterval ligt een hoop bruine sneeuw. Ook ligt de waterval geheel in de schaduw. We lopen verder naar de verderop gelegen waterval Gljúfrafoss. Deze waterval ligt half verborgen in een kloof, en de enige mogelijkheid om bij de waterval te komen is om een stukje door het water van de beek te waden. Het opspattende water dat door de wind door de kloof wordt geblazen zorgt ervoor dat je toch wel geheel doorweekt weer bij de waterval vandaan komt. Leuk in de zomer, maar nu in de winter iets teveel van het goede. Daarom klimmen wij rechts van de waterval langs een glibberig pad een stuk omhoog. Sommige stukken zijn zo steil, dat je hier echt van klimmen kunt spreken. Het “pad” loopt tot ongeveer halverwege de waterval. Dankzij een pallet wat hier ooit door iemand omhoog gesleept is kunnen we net over een rand uitkijken waardoor we van boven af het water in de kloof zien storten. Dan dalen we langs het glibberige pad weer af naar beneden. Dit is een stuk lastiger dan naar boven, maar enkele minuten later staan we toch weer veilig onder aan de waterval. Vanaf de Seljalandsfoss loopt een onduidelijk pad naar deze waterval, en regelmatig zien we mensen deze route lopen. Ze komen echter nooit aan bij de Gljúfrafoss. Een andere waterval halverwege de route wordt waarschijnlijk verward met deze waardoor er te vroeg omgedraaid wordt. De Gljúfrafoss ligt pas een 50 meter voorbij de camping.Bij het aankomen zagen we in de verte prachtige besneeuwde bergtoppen. Helaas zijn die nu door dichterbij gelegen bergen aan het zicht onttrokken. Om weer uitzicht te krijgen rijden we naar het 9 kilometer verderop gelegen Stóramörk over de 249. Na een paar kilometer hebben we een mooi uitzicht op de sneeuw. In de volle zon genieten we van onze boterhammen. We rijden nog een paar kilometer verder, maar de weg wordt al snel slechter. Waar we in de schaduw rijden ligt veel ijs op de weg. De IJslanders lachen hier waarschijnlijk om, maar voor ons -aan strak asfalt gewende Nederlanders- zorgen enkele diepe met ijs gevulde kuilen ervoor dat we zelfs met onze 4×4 niet meer verder durven rijden.Volgende halte. Skógafoss.
Op onze Suzuki na ligt de hoofdweg er verlaten bij. Als we bij de Skógafoss aankomen zijn wij dan ook de enige bezoekers. De waterval wordt geflankeerd door een mooie regenboog. Langs de oostzijde van de waterval lopen
we omhoog over een nieuwe stalen trap van om en nabij de 400 treden. Met een hartslag van om en nabij de 180, en de rug al nat van het zweet nemen we de laatste trede van de trap. Het landschap en de rivier de Skoga nodigen uit tot een wandeling. Langzaam voert het pad door het landschap omhoog. Door de zachte modder waaruit het pad nu bestaat komen we slechts moeilijk voorruit. Soms glijden we zelfs een stukje terug. Na ongeveer anderhalf uur zijn we aanbeland op het punt waar we in 1999 om moesten draaien vanwege de aanhoudende regenval. Nu is de boosdoener de snel invallende duisternis. We willen niet de hele weg gewandeld hebben om op hetzelfde punt als vijf jaar geleden om te moeten draaien.Het besluit om nog een stukje verder te wandelen is dan al snel genomen. We komen aan bij een mooie waterval die in een diepe kloof naar benede stort. Vanwege de invallende duisternis moeten we nu toch echt besluiten dit als eindpunt van onze wandeling te beschouwen. We bewonderen even een mooie waterval, en aanvaarden de terugweg. Terwijl de zon al erg laag staat, komt tegenover de ondergaande zon de maan op. Het warme licht van de ondergaande zon kleurt het dorre bruine gras tot een mooie gouden kleur. Veel tijd om hierbij stil te staan is er niet. Als we nu niet doorlopen, zullen we het laatste stukje moeten lopen met slechts het licht van de volle maan. De zon is allang achter de bergen verdwenen als we aankomen bij de trap die ons naar de voet van de waterval brengt.Nadat we het landschap nogmaals goed in ons hebben opgenomen rijden we verder op zoek naar een overnachtingsplaats. Deze vinden we 12 kilometer verderop in Sólheimahjáleiga in Mýrdalur. We overnachten hier in een oude tot slaapzakkaccomodatie verbouwde boerderij welke we delen met twee dames uit Amerika. De ruimte bestaat uit 4 slaapkamers, een keuken, 2 badkamers en een kleine huiskamer.

23 februari

Twee smekende bruine ogen kijken mij vol spanning aan. Snel wisselt zijn blik van mij naar de gele tennisbal en weer terug. Ik zwaai mijn been naar achter, en zo hard ik kan raakt de neus van mijn voet de gele tennisbal. De in deze tijd van het jaar werkeloze schapendoes springt op, en rent als een bezetene achter de bal. Even later kijk ik weer in de bruine smekende ogen van de hond. De gele tennisbal ligt voor mijn voeten, klaar om weer weggeschopt te worden. Voor de werkeloze hond is dit spel een welkome afwisseling. Binnen een paar minuten ben ik door de hond gepromoveerd tot zijn grote vriend. Keer op keer schop ik de bal weg, en keer op keer komt de hond de bal trouw terug brengen. Ondertussen ben ik ook nog bezig met het leegladen van onze slaapkamer, en het volstouwen van de jeep. Nadat we alles hebben ingeladen, en nog een laatste controle hebben uitgevoerd of we niets vergeten zijn rijden we aan. Als we de boerderij achter ons laten zie ik in de achteruitkijkspiegel twee droevige bruine ogen op onze auto gericht.De droevige bruine ogen zijn nog maar net uit het zicht verdwenen wanneer we de auto weer aan de kant zetten. Een twintigtal IJslandse paarden, met als achtergrond besneeuwde bergtoppen zijn te mooi om zomaar aan voorbij te rijden. Voorzichtig, om de paarden niet weg te jagen sluip ik dichter naar de kudde. De paarden zijn echter bepaalt niet schuw zodat ik even later omsingeld ben door de IJslanders. Niet schuw is misschien nog zacht uitgedrukt, eentje begint langzaam aan zijn ontbijt, welk bestaat uit de mouw van mijn jas. Ook mijn fototas is niet echt veilig voor de paarden.Vanmorgen hebben we ons laatste brood naar binnengewerkt. De eerste rit van vandaag brengt ons daarom naar het plaatsje Vík, naar de lokale supermarkt. We rijden dus even voorbij aan Dyrhólæy en Reynisdrangar. De weg stijgt hier in eerste instantie met 10%, en even later met 12%, en is daarmee een welkome afwisseling en de meestal vrij lange rechte wegen in het zuiden van IJsland. Aan het strand van vik, in de zon en uit de wind genieten we van ons verlaatte ontbijt. De zon brand fel, en ik kan me lagere temperaturen herinneren tijdens onze zomer verblijven in IJsland van de afgelopen jaren. Na het ontbijt lopen we verder naar het prachtige zwarte zandstrand van Vík. Al snel gaan de jassen uit. Het is echt warm. We lopen naar het punt waar we door het hoge water niet meer verder kunnen, en gaan dan terug naar de wagen en rijden een paar kilometer terug over weg 1.

Bij wegnummer 215 naar Reynisfjall slaan we af richting het strand. Voorbereid op een hobbelige zandweg welke ik me nog herinner van de laatste keer dat we hier waren, rijden we nu over een vers gelegd asfaltdek. Het parkeerterrein aan het einde van de weg ligt er nog onveranderd bij. Vanaf hier sta je in 1 stap op het pekzwarte strand van IJsland. Regelmatig slaan de golven die hier nu vaak een hoogte van meer dan anderhalve meter halen stuk op het strand. Het is wel even wachten op de juiste golf voor de foto die ik in gedachten heb. Als ik te overmoedig word, wordt dat weer afgestraft met een natte broek. Kijkend door de zoeker zie ik niet altijd op tijd dat achter mij het water met een hoog tempo op me af komt. Gelukkig is het niet erg koud, en schijnt de zon.

We pauzeren even in Hálsanefshellir, een basaltgrot van enkele meters diep. Het water staat erg laag, en we lopen naar de oostzijde van het strand, waar we met een beetje klimwerk aan het strand bij Vík uitkomen. Vanaf hier hebben we een totaal ander uitzicht op Reynisdrangar, de tot 66 meter hoge rotspunten welke volgens de legende bestaat uit een driemaster die door trollen de zee in werd getrokken toen zij verrast werden door de zonsopgang.
Dan rijden we nog een stukje terug, en dit keer naar Dyrhólæy. Dyrhólæy, de 120 meter hoge kaap met aan de zeezijde een grote boog waar kleine schepen zelfs doorheen kunnen varen. Aan
wegnummer 1 ligt wegnummer 218 welke naar Dyrhólæy voert. Dit maal rijden we met de wagen naar boven naar de vuurtoren. Een korte wandeling brengt ons tot op de boog. Deze tijd van het jaar bestaat de enige bewoning op dit moment uit meeuwen. Vele nesten hangen aan de steile wanden waarvandaan de vogels af en aan vliegen. Verder weg op zee hangt een grote mistbank. Even voor deze mistbank vaart een boot. Het is al wat later op de dag, en langzaam zakt de zon achter de bewolking aan de horizon. Ook aan het strand hangt een dunne laag mist die door de ondergaande zon langzaam roze kleurt. De lucht krijgt door de laagstaande zon een rood roze kleur. De zon weerspiegelt prachtig op het water. De zonsondergang is een van de mooiste die ik ooit gezien heb. Als de laatste zonnestralen uitdoven rijden we weer een stukje verder terug naar Petersuy. Petersuy ligt aan de 219. Deze weg voert om een grote eenzame berg welke uiteindelijk ook weer op wegnummer 1 uitkomt. Een korte maar mooie omweg. We slaan af bij het bordje Vellir alwaar we telefonisch een kamer hebben besproken voor de nacht. We zijn de enige gasten, en hebben de bungalow met 4 slaapkamers voor ons zelf.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *