IJsland 2006

Maandag 28 augustus 2006, Kjölur geasfalteerd @#$%@#

Een vreemde gewaarwording. Asfalt! Kjolur is verhard met Asfalt! @#$%#%. De eerste hooglandroute die we in Ijsland hebben gereden in 2001 met onze L200. De toen spannende route is verhard! Je kunt een land natuurlijk niet verplichten om alles bij het oude te laten, en ook Ijsland moet voorruit en met zijn tijd mee, maar waarom Kjolur. De route leidt enkel naar Kerlingarfjoll en Hveravellir. Hier komen mensen die graag het woeste en wilde ijsland willen zien. Die hebben echt geen behoefte aan een comfortabele rit die ze over een stuk asfalt -dat trouwens ook het hele aangezicht van kjolur verkracht heeft – naar de volgende attractie die Ijsland rijk is voert. Die willen het idee hebben moeite te moeten doen om ergens te komen. Niet aan het handje te worden meegevoerd, maar op eigen (jeep) kracht ergens te komen. IJsland is niet enkel een land waarin je ongeloofelijk veel wonderen van de natuur vind, het is ook de illusie dat je in een wildernis zit, een moeilijk te doordringen gebied. Een gebied waarin je je af en toe nog een ontdekkingsreiziger waant. Die illusie wordt hier bij Kjolur hardhandig om zeep geholpen. Ik ben verdrietig, en bang voor de toekomst van IJsland.
Na ongeveer 25 kilometer houd het asfalt op, maar de machines die hier aan het eind van de lelijke asfaltbaan staan laten er geen twijfel over bestaan dat het werk hier nog niet gedaan is. De volgende kilometers zijn al een stuk breder gemaakt, en de grote stenen waar je voorheen nog omheen moest manouvreren zijn al verwijderd. Gelukkig zijn ze hiermee nog niet zover gekomen, en ongeveer 10 kilometer verderop lijkt de Kjolur route weer de Kjolur route. Na nog een paar kilometer blijkt dat ook niet waar te zijn. De laatste doorsteek die deze route nog had, een lullig stroompje van misschien 20 centimeter diep is door middel van een brug ook al om zeep geholpen. Volgens mij is IJsland druk bezig de kip met de gouden eieren te slachten. Er zullen inderdaad meer toeristen in deze omgeving gaan komen. Ongetwijfeld zullen die Hveravellir en Kerlingarfjoll gaan bezoeken. Grotere hutten zullen verrijzen, en omdat massa toeristen ook voor massa ongelukken gaan zorgen zullen overal keurig nette wandelpaadjes met daaromheen touwtjes worden gemaakt zodat deze toerist niet alle natuurschoon vertrapt. De toerist die zich nog graag ontdekkingsreiziger waant zal verder het binnenland intrekken, of Ijsland van de lijst van woeste natuurgebieden schrappen, en zijn/haar vertier elders gaan zoeken.
Het duurd een tijdje voordat ik weer een beetje kan genieten van de natuur om me heen. Het asfalt hebben we dan al ver achter ons, maar de vraag waarom blijft hangen. We slaan af richting Kerlingarfjoll, en rijden dit keer de camping en de hut voorbij en gaan direct naar het warme bronnen gebied. Het weer is vandaag niet geweldig. Een donker wolken dek hangt boven Kerlingarfjoll. Bij enkele kloven stoppen we om foto’s te maken. Hoe hoger we komen, hoe slechter het zicht wordt. Van ongeveer 50 meter gaat het al snel naar 40, 30, 20 meter . En dan zijn we boven, en zien geen hand voor ogen. De wind duwt hard tegen onze Grand Vitara, waardoor we zelfs de deuren van de auto met moeite open kunnen duwen. Eenmaal buiten de auto willen we eigenlijk ook best wel weer terug in de auto. Het regent, en het is ijs koud. De termometer van de auto geeft aan dat het 3 graden is. Buiten wandelen heeft geen zin. Je koelt veel te snel af, en er is niets te zien. We wachten het een half uur af, en besluiten dan terug te keren naar de Kjolur route, en onze weg te vervolgen naar Hveravellir. Het zicht is hier een stuk beter, maar de wind waait nog akelig koud. Alvorens hier te stoppen en de hut op te zoeken denken we dat het nog wel leuk is om een stukje verder te rijden. We zien in de verte namelijk een bergkam die baad in zonlicht, en daardoor onwaarschijnlijk mooie kleuren vertoond. De weg er naar toe is erg slecht, en de 13 kilometer duren dan ook erg lang om af te leggen. Bijna op het eind gaat de weg ook erg stijl naar beneden. Langzaam hobbellen we in de eerste versnelling Low Gear naar beneden, vanaf hier is het nog een paar kilometer naar de hut. Onderweg komen we een man en een vrouw tegen die deze route wandelend trotseren. Zij liever dan ik. De wind is snijdend koud, en de motregen die af en toe naar beneden valt is ook niet bevorderlijk om te wandelen. De grote rugzakken die ze op hun rug meetorsen is dan ook nog een erg zware last. Een paar kilometer verderop komen we aan het eind van de route. Eigenlijk willen we gaan wandelen, maar even buiten de auto gaan staan om de jassen aan te trekken ontneemt ons eigenlijk de lust om er op uit te trekken. Het is werkelijk te koud. We blijven even in de auto zitten en genieten van het mooie uitzicht. Dan draaien we om, en rijden richting Hveravellir. Vlak voordat we bij het steile stuk aankomen zien we de twee wandelaars zitten. Ook bij hun is de lust om te wandelen totaal verdwenen. Ze wisten natuurlijk dat wij hier terug moesten komen omdat de weg dood loopt, en hebben op ons gewacht. Onze auto is echter zo vol geladen dat we zo onmogelijk mee kunnen nemen. 1 persoon zou kunnen, maar twee gaat niet lukken. Ze willen naar Hveravellir, en dat is nog minimaal twee uur lopen, en met alle bagage erbij nog wel wat langer schat ik in. Ik bied aan hun rugzakken alvast mee te nemen, en die bij de hut van Hveravellir neer te zetten. Hun gezichten fleuren al enigzins op, en we beginnen met het inladen van de rugzakken, en dan zit de auto dus al helemaal tot de nok toe vol. We wensen ze nog veel plezier en sterkte met de wandeling, en rijden aan. Met enkel hun wandelstokken en een fles water begint het stel aan de laatste twee uur van de wandeling in de snijdende kou, terwijl wij de verwarming van de auto nog een beetje hoger draaien en op ons gemakje de route terugrijden. Met de auto stelt die 13 kilometer niet zoveel voor, en binnen de kortste keren zijn we bij Hveravellir. We laden de rugzakken van het stel uit. Ans pakt wat spullen die ze nodig heeft, en ik besluit even terug te rijden en het stel een lift te geven. Het meisje had al aangegeven dat ze het erg koud had, en als je dan ook nog twee uur moet wandelen is dat best wel zwaar. Ze hebben er ondertussen al een kilometer of drie op zitten, dus na 10 kilometer sta ik weer voor hun neus en vraag ze of ze misschien een taxi nodig hebben. Dat laten ze zich geen twee keer zeggen, en al snel zitten ze in de warme auto. Ze komen uit Duitsland, en zijn nu bezig aan hun huwelijksreis. Niet lang daarna kan ik ze afzetten bij Hveravellir, waar ze weer herenigd worden met hun rugzakken.
Ik rijd een klein stukje verder, en ga de hut binnen waar Ans ondertussen al een beetje gesettled is. In de hut zijn ongeveer 10 mensen, en dat is redelijk druk. Dit terwijl te oordelen aan het aantal matrassen hier wel 30 mensen terecht kunnen. Wij delen de slaapzaal waar 20 matrassen liggen met een jong stel uit Grenoble. Natuurlijk ben je niet in Hveravellir geweest als je niet even in de hotpot gezeten hebt. We zitten in de hut naast de hotpot, dus kunnen we terwijl we naar buiten kijken waar de andere mensen zich in de kou omkleden lekker bij de altijd hete verwarming ons in onze zwemkleding heissen. Wel moeten we dan even een beetje doorlopen vanaf de voordeur naar de 10 meter verderop gelegen hotpot, maar voordat we de kans krijgen door en door koud te zijn, zitten we in het eigenlijk te warme water van deze hotpot. We delen de pot met een stuk of 8 duitsers, en twee fransen. De duitsers zijn behoorlijk uitgelaten en erg rumoerig. Als een van de duitsers merkt dat ze de kuip delen met fransen en nederlanders hoor ik hem zeggen “ o was mussen die Hollander und die fransosen jetzt wieder von ons denken” Ik antwoord “o, das gleiche wie immer” En ondanks dat er altijd wordt gezecht dat duitsers geen humor hebben kunnen ze hier toch wel om lachen. Als ze uiteindelijk de hotpot verlaten keert de rust weer terug, en gaan wij verder met het door en door verwarmen van onze koude lichamen.
Na de hotpot komt er nog een bezoek aan het hete bronnen gebied waar Hveravellir bekend om staat. Ik ben nog druk aan het fotograferen, terwijl Ans vanwege de koude alvast terug gegaan is naar de hut. Ik houd het zelf niet zo heel veel langer uit, en kom een kwartiertje later met ijskoude vingers ook maar naar binnen.
Na een goed gesprek met het franse stel, willen we de slaapzak induiken. Natuurlijk is het verstandig voordat de nacht begint even het toilet te bezoeken. Het toilet ligt aan de overkant van het terrein, en dat is dus een minuutje lopen. Dat minuutje lopen wordt dan wel voorafgegaan aan een paar minuutjes omkleden. De wind die buiten raasde is inmiddels wel een storm te noemen. De regen die valt is inmiddels veranderd in natte sneeuw, en het toiletgebouw is bekleed met een dun laagje ijs. Het is niet noemenswaardig veel, maar voor een zomervakantie een beetje teveel van het goede. Na het toiletbezoek gaan de kleren weer uit, en kruip ik in de warme slaapzak. Midden in de nacht wordt ik wakker omdat ik eigenlijk naar het toilet moet. Ik hoor de storm nog voortrazen om de hut, en draai me nog maar een keertje om.

Pages: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15